Naakt (kort)

(bron: onbekend)

·Naakt



De maan oogt ziek deze nacht. De randen zacht. Vlekken in het bleke gezicht, en verlaten door sterren en wolken om zo eenzaam te kunnen sterven. Het laatste dat zijn blik vangt is de blote reet van degene die onder hem ligt.
Het is een naakte man van middelbare leeftijd die boven op een betonnen wand ligt en zich krampachtig vasthoudt. Hij ademt in korte hevige stoten alsof hij nog net op tijd uit de wurggreep van zijn belager is gekomen.
 Nu ligt hij hier: alleen, niet wetend wie hij is of waar hij is. Zijn geheugen vertelt hem niets. Laat niets door dan ruis. Maar ook zijn lichaam zwijgt. Het spreekt niet, niet tot de verbeelding, al helemaal geen boekdelen. Het vertelt geen geschiedenis, verraadt geen afkomst.
 Zijn naam zou Storm kunnen zijn. Niet dat hij eruit ziet als een Storm; verre van dat. Niet als persoon en niet als weerfenomeen. Onzin zit echter vaak nog het dichtst bij de waarheid.
 Storm is wakker, als tussen twee koortsdromen in. Verward. Bang.
Wanhopig grijpen zijn vingers naar het beton, op zoek naar grip. Kleine korrels mengen zich met het zweet op de nu nog zachte kussens van zijn vingers. Spoedig zullen de lijnen op zijn handen weggesleten zijn. Zijn levensloop verdwenen.
 Storm durft zijn ogen niet te openen zolang zijn identiteit niet meer is dan een schim. Nevel. De bas op zijn hartslag trilt iedere herinnering en conclusie uiteen. Een koele bries slaat elke druppel koud zweet die langs zijn ruggengraat loopt in hem als een roestige spijker. Hij schreeuwt niet, maar bijt net zolang op zijn lip en de binnenzijde van zijn wang dat hij die spijkers meent te proeven: vloeibaar en warm.
 Zo ligt hij daar. Urenlang. Uren waarin hij zijn hersenen pijnigt om iets te weten over zichzelf te komen en de situatie waarin hij zich bevindt. Uren waarin hij zichzelf vertelt te kalmeren maar waarin zijn gevoel in opstand gekomen lijkt tegen zijn rede. Uren waarin hij zijn ogen krampachtig gesloten houdt om maar niets van de voorstelling van zijn voorgevoel mee te krijgen. Uren waarin ieder hartslag geladen lijkt met angst, elektriciteit en een klein laagje water. Vele schokkende hartslagen later verliezen zijn oogleden onvermijdelijk hun grip, als het laatste bruingele eikenblad in december. Veel te zien is er niet. De maan verlicht slechts een fractie van de wand waarop hij ligt. Daaromheen is alles zo zwart als zijn geheugen. Zelfs de grond – mocht die er al zijn – is niet zichtbaar. 
 Ergens voelt hij dat op een ander moment deze situatie komisch zou zijn geweest – hoe zijn kont en de maan elkaar aanstaren als na jaren weer herenigde tweelingbroers. Niet nu. Niet nu de de betonnen rand brandplekken veroorzaakt rond zijn liezen en mogelijke antwoorden steeds verder terugdeinzen voor een woedende menigte vragen.
 Tijd kruipt verder. Antwoorden dienen zich niet aan. De maan sterft niet, maar wisselt slechts van dienst. Een oranje gloed laat zien waar Storm zijn ogen al kennis mee hadden gemaakt: zand en stof. Hij zou het uit zijn ogen willen wrijven maar wil het risico niet nemen, wankel als hij is, nu hij ziet dat de grond zeker drie meter van hem verwijderd is. Nog niet. Als de val zijn rug of nek breekt zal hij binnen de kortste keren verzwolgen worden door woestijnzand. De begrafenis van een onbekende.
Hier ligt hij.
Mogelijk Storm.
We zullen je nooit herinneren.
 De zacht oranje gloed licht op tot een stekend wit dat doorbrandt tot in de schedel. Het zweet loopt in straaltjes langs zijn slapen. Beneden aangekomen slaan ze een kleine, natte krater in het brandende zand. Iedere zweetdruppel op zijn lichaam fungeert als een vergrootglas. De verschroeiende zon meedogenloos.
 Storm is gestopt met nadenken; opgave. Het maakte hem slechts verdrietig, verward, machteloos. Hij likt zijn droge, gescheurde lippen die zout smaken en aanvoelen als grof schuurpapier.
 Lange tijd gebeurt er niets. Dan, als stofdeeltjes op zijn netvlies, verschijnen er kleine stippen aan de horizon. De stippen groeien uit tot heuse mensjes. Alsof hij bevestiging van iemand zoekt voor datgene dat hij ziet draait hij zijn gezicht naar rechts. Zijn kin schurend over het beton. Wat hij ziet is hetzelfde. Stereobeeld. Alsof de gekte hem insluit.
 Wat Storm niet ziet is dat er uiterlijk enig verschil is tussen de naderende mannen links en rechts van hem. Dat links van hem het aandeel keppeltjes groter is dan rechts van hem, terwijl de keffiyeh – een sjaal vooral bekend in het zwart-wit geblokt – juist weer alleen rechts van hem is te zien.
 Een beginnende glimlach scheurt zijn lippen bij de gedachte aan hulp. De mondhoeken zakken weer snel in als hij ziet waar beide groepen mee zwaaien. Geweren: lange lopen, houten kolven. Storm weet niet meer waar die dingen voor dienen of hoe ze heten, wel dat ze hem een onbehagelijk gevoel bezorgen. De mannetjes worden mannen, het stofspoor achter hen een gordijn dat de hemel bevuilt.
 Storm weet niet waar hij moet kijken. Zijn blik blijft heen en weer gaan. Het beton schuurt een rood spoor onder zijn kin. Links en rechts van hem reageren de mannen op identieke wijze. Ze wijzen met de loop van hun geweer naar de hemel en staren met een cocktail van verbazing, woede en liefde in de ogen naar Storm. Ze lijken onzeker of ze met een vriend of een vijand te maken hebben. Met grootse gebaren vragen, gebieden ze hem om naar beneden te komen. Hun armen vormen een opvanggebaar.
 Links en rechts. Links of rechts?
 Storm is naakt, onwetend. Als een zojuist geboren baby op een vooruitgesnelde wereld. Voor het eerst vullen tranen zijn ogen. Hij zal een keuze moeten maken. En wel nu.


Geen opmerkingen:

Een reactie posten